Archief


vlammetjeLetters bij de lunch 5 januari 2017


Humor

Gedichten uitgezocht en gelezen door leden van de VLAM in 'Letters bij de Lunch'

 

-------------------------------------------------------

Lévi Weemoedt en de drank:

 

Carrière

 

Toen ik ter wereld kwam,

Waren de baantjes al vergeven,

Alle vrouwen al getrouwd,

Alle boeken al geschreven.

Alle toppen al bereikt,

Alle zaken al beklonken.

Dus besloot ik te gaan drinken,

En heb daarin uitgeblonken.

-------------

Keuringsdienst van zwervers

 

De pakketten van

De voedselbank

Bevatten te weinig

Sterke drank.

------------

Trieste mededeling

 

 ’t Was al middernacht, het café bijna leeg

Toen plots een stem klonk, hol en veeg,

Doe snikte boven zijn oude klaar:

“Mijn bril en ik gaan uit elkaar!”

------------

Gezonde liefde

 

 O, ik ben om háár

Met roken gestopt.

O, ik ben om háár

Weer begonnen met roken.

Drinken, gelukkig,

Heb ik nooit onderbroken.

Zodat de schade

Nog meevalt tot slot.

------------

De menselijke conditie

 

Het roken heb je

Opgegeven

Je drinkt niet meer

Wat het is geweest

Jammer alleen

Dat gezonder leven

Zo schadelijk is

Voor je geest.

---------------------------------------------------------

LOTGENOTEN

Ons gaan is een komen
Ons komen is een gaan

De zin van het leven
is dat we vergaan

De wereld is van iedereen
Niemand de baas

Het heden is eeuwig
Alles is waar

God of Jehova
Allah Jahweh
           
De één is de ander
De ander de één

Ontsteekt uw geweten
Kijkt om u heen

Het lot dat we delen
laat niemand alleen

Jules Deelder
uit: Ruisch, 2011

--------------------------------------------------------

BLUES ON TUESDAY

Geen geld.                  
Geen vuur.
Geen speed.

Geen krant.
Geen wonder.
Geen weed.

Geen brood.
Geen tijd.
Geen weer.

Geen klote.
Geen donder.
Geen reet.

Jules Deelder
uit: Dag en Nacht Geopend,1970

----------------------------------------------------------

OVER DRIE SOORTEN VAN LACHEN

 

Giechelen is iets wat je nooit helemaal doet,

altijd bijna, tenminste als je een meisje bent

van wie niemand weet of ze achter haar hand

de woorden ‘hihi’ opeet, of zomaar een koekje.

Giechelen doe je als je 17 bent

en bijna moet lachen om wat

bijna gezegd is.

 

Schateren daarentegen zijn drie

lettergrepen als dokwerkers

die elkaar daverend op de schouder slaan,

schateren is het proletariaat van de lach,

ik droom van een revolutie

die alles zal wegschateren,

dan zal er niet meer gelachen worden!

 

Schrijf ik op mijn 30. En glimlachen

is helaas wat je daar vermoedelijk

op je 50ste om doet.

 

Herman de Coninck (1944-1997)

Uit: De gedichten, 1998

---------------------------------------------------------

Literatuur 

Toen ik verloofd was met René
die zoveel hield van Hemmingway,
las ik het werk van Hemmingway
omdat dat werk me zoveel dee.
Maar toen het uit was tussen ons,
toen kreeg ook Hemmingway de bons.

Daarna was ik met Guus verloofd
en kende Ibsen uit mijn hoofd.
Later, met Peter, hield ik zo
enorm van Valéry Larbaud.

 

Maar ik ben nooit verloofd geweest
met iemand die Homerus leest,
en ik heb nooit een man bemind
die Rabelais het hoogste vindt.

En dus zijn er nog verscheiden gaten,
helaas, in mijn cultuur gelaten.
Ik hoop nog altijd op Pascal,
maar wat dan ook, in elk geval:

hoe meer het aantal liefdes stijgt
hoe meer ontwikkeling men krijgt.

Annie M.G. Schmidt (1911-1995)

Uit: Die van die van u, 2014

-------------------------------------------------------

Ik drink alleen om je dubbel te zien

je zult ’t niet merken,

niet eens kijken misschien

je hebt ’t te druk

met die vlerk en

je eigen geluk.

Misschien is dat beter.

Ik drink en blijf alleen,

verdubbel je enkels,

je benen, je dijen,

zo dubbel kunnen er twee met je vrijen.

nog even en we zijn alle drie met z’n beien.

 

J.J.Voskuil (1926-2008)

Uit: Ik drink alleen om je dubbel te zien, 2014

----------------------------------------------------------

Aan de sonnetten (I)

 

Klinkt helder op, gebeeldhouwde sonnetten,

Gij, kindren van de rustige gedachte!

De ware vrijheid luistert naar de wetten:

Hij stelt de wet, die úwe wetten achtte:

 

Naar eigen hand de vrije taal te zetten,

Is eedle kunst, geen grens, die haar ontkrachtte;

Beperking moet vernuft en vinding wetten;

Tot heerschen is, wie zich beheerscht, bij machte: -

 

De geest, in enge grenzen ingetogen,

Schijnt krachtig als de popel op te schieten,

En de aard, te boren en den blauwen hoogen:

 

Een zee van liefde in droppen uit te gieten,

Zacht, éen voor éen – ziedaar mijn heerlijk pogen …

Sonnetten, klinkt! U dichten was genieten. –

 

Jacques Perk

----------------------------------------------------------

AAN DE KROKETTEN

 

Dient smakelijk op die zalige kroketten

Die kindren van de geurige frituur

Die uit de kunst en volgens Mora’s wetten

Gebakken zijn, krokant en bruin en puur.

 

De eigen tand in zulk een spijs te zetten,

Is overheerlijk en niet al te duur.

Ze langzaam malend in den mond te pletten

Is op zichzelf een feestlijk avontuur.

 

De maag, in enge grenzen ingetogen,

Verheugt zich op uw vettige visite

En heet u hartlijk welkom, ongelogen.

 

Een golf van smaak in droppen uit te gieten,

Doch één voor één, - ziedaar mijn heerlijk pogen…

Kroketten, komt! U eten is genieten! –

 

Louis Pistache

ps. van Hub Jessen

-----------------------------------------------------------

De moeder de vrouw

 

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

die elkaar vroeger schenen te vermijden,

worden weer buren. Een minuut of tien

dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,

mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –

laat mij daar midden in de oneindigheid

een stem vernemen dat mijn oren klonken.

 

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

 

en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.

 

Martinus Nijhoff

-----------------------------------------------------------

Geen moeder, geen vrouw

 

Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de brug met pijlers en met stroken.

Mijn oude brug was foetsie, weg en afgebroken.

Het vinden van de juiste afslag kostte een minuut of tien.

 

Daar lag ik dan in ’t gras, mijn pils gedronken

mijn hoofd vol van verkeer dat zoeft van veiligheid,

die nieuwe brug en alles wat erover rijdt

en ben getuige van de sloop; hoor daveren en bonken.

 

Het was een man, de shovel die hij reed

leek dreigend in een stofwolk door de tuien heen te zweven.

Wat was hij hoog gezeten en wat wreed

 

heeft hij beton en staal uiteen gedreven.

Alom was gat en kloof en spleet.

Geen moeder en geen vrouw was mij gegeven.

 

Anoniem

---------------------------------------------------------

VERGADERING

 

Waarheen gaat de Nederlander

Naar een vergadering.

Waar komt hij vandaan?

Van een vergadering.

 

Het huis

is de vergadering van de Nederlander

met zijn hond.

 

De douche

is de vergadering van de Nederlander

met het warme water.

 

De slaap

is de vergadering van de Nederlander

met zijn bed.

 

Wakker worden

is de vergadering van de Nederlander

met de haast.

 

De vergadering

is de vergadering van de Nederlander

met de vergadering.

 

Rodaan al Galidi (1972)

Uit: Koelkastlicht, 2016

--------------------------------------------------------

About children.

 

His sisters tease him a lot

In bath exhibiting their secret spot

One day he came to me in tears

“Mummy, what if I later in years

Still loathe the sight of that split?

“Age”, I said, “will take care of it

Beauty lies in the eyes of the beholder

And girls look different to you when you grow older.

 

Lize van Dijk

---------------------------------------------------
POÈTE BÉNIT

Het gaat te goed! Doe daar wat aan!
Timmer gaten in mijn muren,
smijt een dreigbrief door het raam
en jaag de schimmel in mijn boeken,
laat de buurt mijn kop vervloeken,
sluit het gas af, doof het licht
en laat een ouderwetse winter
door de waterleiding gaan.

 

Boek mij voor een habbekrats

in godverlaten oorden, waar

mijn woorden in het schuim verzuipen

van de bierpomp op het plein.

Laat mij spreken voor holle zalen

en zet daar espressomachines bij aan,

laat mij ‘s nachts op weg naar huis

bij opgeheven haltes staan.

 

Laat honderd slechte epigonen

mijn hagelwit blazoen besmeuren,

laat mijn werk niet leven maar gebeuren

in een voetnoot van een slecht geschreven

doctoraal. O, laat alleen journaille

en het zwaarbelegen recensentendom

mijn werk waarderen. Geef mij nul

op het rekest, dat zal mij leren!

 

Ingmar Heytze

Uit: Alle goeds

--------------------------------------------------------

Gedicht dat goed afloopt.

 

Wanneer je ’s avonds laat in bed,

boek in je rechterhand, lul

in je linker de dingen op een rijtje zet

en constateert: nulkomma nul

heb ik bereikt; ’t is godverdomme net

alsof mijn huis is scheef gezet.

Of als je wakker wordt als een insect

en gele stroop uit al je wonden lekt

maar iedereen gewoon doet

en je groet en het goed

met je meent.

Als je verdroogd op zee drijft

en er is geen hoop meer maar slechts dorst

je laatste beker heb je trillende vermorst

en barsten schieten in de plank

wiens hoofd duikt er dan lachend uit het water

wie zegt er dan: zorgen zijn voor later?

Je vrolijke vriend Frank.

 

Frank Koenegracht

Uit:  ‘Vroege Sneeuw’, Amsterdam 2003

--------------------------------------------------------------

PEESVLIES

 

De Vlaamse gaai zat met zijn vangst

op een tak. Zo nu en dan zag hij op

van zijn nog fladderende prooi.

Trok het dier uit elkaar en slurpte

de zachte slierten peesvlies

waarin de zang gezeteld had.

Later ging ik om de vleugel-

resten heen. Het rook

naar verdronken land en

een voltrokken jachtdiner.

 

Emma Crebolder

-----------------------------------------------------

VERLETTERD

 

Hoe zij zijn verletterd, de vrouwen

van het leesgenootschap. Hoe

zij zich verruimden door stijlbreuk

en inversie. Hoe zij inzicht als

een geheime weldaad ervoeren.

Zij leerden zichzelf kennen als

de werking van hun eigen flamoes.

 

Een keurbende die het boek

beschouwt, uitpluist en zelfvergeten

het volgende alweer openvouwt.

 

Emma Crebolder

uit: Verzoenen, 2014

---------------------------------------------------------

Over hoe papa voor mij een bunzing schoot

 

Op een avond kwam mijn papa

Kwam mijn pap met grote stappen

Kwam mijn pap met grote stappen

Stap voor stap naar huis toe stappen.

 

Mijn papa liep over de weg

Zag een bunzing bij de heg

Zag een bunzing bij de heg

En die keek van papa weg.

 

Papa dacht: ’Een bunzing is

Een mooi beestje, niks mee mis.

Een mooi beestje, niks mee mis,

Als het echt een bunzing is.’

 

De bunzing zat en keek wat

Keek naar papa op zijn pad

Keek naar papa op zijn pad

Toen werd hij het zitten zat.

 

Papa wacht niet langer meer,

Papa haalt zijn schietgeweer,

Papa haalt zijn schietgeweer,

En keert naar de bunzing weer.

 

De bunzing rent naar de rivier,

De rivier niet ver van hier,

En niet ver achter het dier

Rent papa ook naar de rivier.

 

Papa rent en hij wordt boos,

Rammelt met zijn kogeldood,

Rammelt met zijn kogeldoos,

- Niet zo snel jij! – roept hij boos.

 

Maar de bunzing, staart omhoog,

Vluchtte verder, met een boog.

Bruggen over, met een boog,

Met zijn bunzingstaart omhoog.

 

Papa haalt de trekker over,

Kopjeduikelt dan hals over

Kopjeduikelt dan hals over

Kop – en buitelt achterover.

 

Maar zijn schietgeweer gaat af

Donderbust van pief poef paf!

Bulderbast van pief poef paf!

En daarna vliegt de loop eraf.

 

In een mum staat papa weer

Maar het dier beweegt niet meer

De bunzing ligt en leeft niet meer

Maar met papa gaat het weer.

 

Papa nam de bunzing mee

Mee naar huis nam hij hem mee

Mee naar huis sleept hij hem mee

Sleept hem aan zijn pootje mee.

 

Ik kreeg de bunzing, wat een feest!

Ik maakte snel een speelgoedbeest,

Met zaagsel een groot speelgoedbeest.

Een bunzing krijgen is een feest!

 

Kijk, hier zie je hem getekend,

Onze bunzing, hij lijkt sprekend,

Ja, niet sprékend, vanzelfsprekend,

Maar uitstekend nagetekend.

 

Daniil Charms - Vertaald door Robbert-Jan Henkes


vlammetjeLetters bij de lunch 4 febr. 2016


Druppels 

 

‘’JAREN DIE DRUPPELEND VERSMELTEN“

Gedichten over herinneringen,

gelezen door leden van de VLAM in 'Letters bij de Lunch'

 ----------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

WAT IS GELUK

Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is.

Ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij
het geluk zoeken omdat het zich
verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk
moet ergens en ooit zijn omdat wij dit
ons herinneren en dit ons herinnert.

Rutger Kopland
Uit: Tot het ons loslaat, 1997
---------------------------------------------------

 

DE WOLKEN

 

Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag

Lang-uit met moeder in de warme hei,

De wolken schoven boven ons voorbij

En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.

 

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,

Daar gaat een dame, schapen met een herder-

De wondr’en werden woord en dreven verder,

Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

 

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,

Ofschoon de hemel vol van wolken hing,

Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding

Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

             

Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide

En wijst mij wat hij in de wolken ziet,

Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet

De verre wolken waarom moeder schreide –

             

Martinus Nijhoff

Uit: Vormen, 1924

------------------------------------------------

 

Al behoudende vervliegt het leven
toch zo makkelijk zo spoorloos
gestorven vrienden
nu skeletten geelbleekjes in hun kist
as tot as, stof tot stof
alleen wederopstaand in mijn dromen
 
Op bekende grond van een journalistencafe
ontmoet ik jaren na zijn dood
op vreemde bodem van een Duits kamp
in zo'n droom mijn vader

Ik omhels hem snikkend
eindelijk thuis
 
Remco Campert

------------------------------------------------------

 

Deze dag wil Walter in het heden leven

zonder zijn schim de herinnering

en de vele noten op haar zang

hij wandelt door de stad

zon warmt zijn gezicht

passanten wijken voor hem uit

kijkt hij dan zo kwaad?

nee het is de broze leeftijd

bevestigd door zijn wandelstok

en natuurlijk zijn grijze haar

hij kijkt naar de mooie meisjes

maar ze kijken niet terug

ja warempel toch een die hem herkent

om zijn handtekening vraagt

gesterkt loopt Walter verder

           

de herinnering slaat het op een afstand gade

die gaat ze niet bewaren

die ijdele gestreeldheid

wat denkt Walter wel.

 

Remco Campert

Uit: Verloop van jaren, 2015

---------------------------------------------------

 

OUDE JEUGD

 

Geluk is een gezin en ideale plastic huishoudhulpjes.

En gulpen tot de navel. En wikkels, opgespaard

opdat de hemel, zee en aard gezegend zij.

En meningen, verkaveld voor de helderheid.

En elke morgen weten wat de waterhoogten zijn.

En zwemgoed, zelf gebreid, met slorpvermogen.

De dunne vrolijkheid van het tomadorek.

Het tot wc-papier verworden wereldnieuws.

En leeggegeten borden, want horden kindertjes

zijn arm, hebben geen bord, laat staan te eten.

En binnen raakt het licht steeds meer gespreid.

En buiten loopt een nieuwe tijd zich warm.

 

Joke van Leeuwen

Uit: Grijp de dag aan, 2010

------------------------------------------------------------------

 

De naam van de eerste was Monnay

we waren allebei veertien

ik was de enge kneus die Shakespeare

las tijdens de wiskundeles

hij was de mooiste jongen van de wereld

hij had een gouden oorbel in zijn rechteroor

en had een woest karakter

toen dumpte hij me voor Tiffy, een zeventienjarige uit de brugklas

Toen kwam Jason

hij was bekeerd – een kind van de Heer

hij gaf me een bijbel cadeau

toen raakte hij geïrriteerd

omdat ik die voortdurend van achter naar voren las

Toen Eric die idioot

die dacht dat Shake Speare een Zuid Afrikaanse voetballer is

En toen Damian

die me geleerd heeft met een botermes

in een auto in te breken en de radio te stelen,

en hoe je lekkere gettoburger maakt

             

Vandaag de dag zijn ze allemaal gelukkig getrouwd

           

Ronelda Sonnet Kamfer

-------------------------------------------------------------------------

 

VOOR MIJN GEBOORTEHUIS

 

voor mij het aloude water

ik zoek de verdieping

ik sluit mijn ogen

ik open en zie

niets

meer dan de resten

die reeds 

lang afgebroken zijn

 

christian bouvrie

uit: huiswaarts over de brug, 2003

----------------------------------------------------

 

LATER

 

Later gaan we naast elkaar

wand'len op de Overtoom,

drinken zoete melk met room,

strijken door ons grijze haar.

             

Zie je ons daar samen lopen?

Naast elkaar––zo diep bedaard.

Jij, een lieve, oude taart.

Ik nog kras––dat is te hopen…

             

Maar al worden we ook wrakken,

al dat vreselijke snoeven

zal tenminste niet meer hoeven.

Gaar of muf––we zijn gebakken.

En we zeggen: ‘Kijk, de tram.’

Of: ‘Hoor jij die vogel zingen?’

Al die nutteloze dingen,

want het hoeft niet meer ad rem.

             

En het hoeft niet meer zo rap,

want we moeten nergens heen.

Och, we wonen toch alleen

in zo’n rothuis met een trap.

             

Ik beloof je, dat ik dan

het attent zijn aan zal leren.

En ik zal ook vaak proberen,

Of je nog wel lachen kan,

lachen als een oude dame,

die haar zegje heeft gezegd,

die, als ze wordt afgelegd,

zich voor niemand hoeft te schamen.

             

Wel, wel, wel zo zal het gaan.

En we sterven, heel bedaard,

op een donderdag in maart.

Tegelijk––daar hecht ik aan.

En als onze aardse last

met de wereld gaat vergroeien,

zal uit jou een bloempje bloeien.

Een viooltje––dat staat vast.

 

Simon Carmiggelt

---------------------------------------------

 

VERTREK VAN DOCHTERS

 

Ze moesten inderdaad gaan, ik had het gezien
aan hun gezichten die langzaam veranderden
van die van kinderen in die van vrienden,
van die van vroeger in die van nu.

En gevoeld en geroken als ze me kusten,
een huid en een haar die niet meer voor mij
waren bedoeld, niet zoals vroeger,
toen we de tijd nog hadden.

Er was in ons huis een wereld van verlangen,
geluk, pijn en verdriet gegroeid, in hun
kamers waarin ze verzamelden wat ze mee
zouden nemen, hun herinneringen.

Nu ze weg zijn kijk ik uit hun ramen en zie
precies datzelfde uitzicht, precies die
zelfde wereld van twintig jaar her,
toen ik hier kwam wonen.

 

Rutger Kopland

uit: Dit uitzicht, 1982

---------------------------------------------

 

DO NOT GO GENTLE

 

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.
Though wise men at their end know dark is right,
Because their words had forked no lightning they
Do not go gentle into that good night.

Good men, the last wave by, crying how bright
Their frail deeds might have danced in a green bay,
Rage, rage against the dying of the light.

Wild men who caught and sang the sun in flight,
And learn, too late, they grieved it on its way,
Do not go gentle into that good night.
           
Grave men, near death, who see with blinding sight
Blind eyes could blaze like meteors and be gay,
Rage, rage against the dying of the light.
And you, my father, there on that sad height,
Curse, bless, me now with your fierce tears, I pray.
Do not go gentle into that good night.
Rage, rage against the dying of the light. 

 

Dylan Thomas

------------------------------------------------------------

 

IN DE HOEK

 

Het meisje met lang blond haar

dat de wijsvinger vluchtig belikte

om een bladzij mee om te slaan,

de kuit op het Katwijkse strand

van je vader, vlak onder de broekspijp,

het veegje lipstick op de mond

van je moeders doodstil gezicht,

de hoek van het schoollokaal

waarin je beschaamd moest staan. 

 

Anton Korteweg

--------------------------------------------------

 

DE LAATSTE JAREN VAN RUDI

 

We kwamen in zijn kabouterhuis

aan de ronde keukentafel

regelmatig tot goede gezwijgen.

Dat de dingen de dingen zijn,              

de wereld de wereld,

er niets is om terug naar te keren,

nergens iets achter ligt - 

zwijgstof volop, altijd.

Alleen als ik dringend iets kwijt moest,

verbrak ik even het zwijgen:

dat het gesneeuwd had, bijvoorbeeld,

als het die nacht gesneeuwd had.

"Die slag is voor jou," zei hij dan.

Vervolgens werd weer gezwegen.

Over problemen dit keer

die er wel en die er niet zijn,

en dat die dezelfde zijn.

Zo goed als Rudi kon zwijgen,

zo zweeg er op aarde nooit een.

 

Anton Korteweg

------------------------------------------------------

 

ERWTJES

 

Toen ze een meisje was van zeventien
moest ze een hele middag erwtjes doppen
op het balkon. Ze wou de teil omschoppen.
Ze was heel woest. Ze kon geen erwt meer zien.

Toen ging ze maar wat dromen, van geluk,
en dat geluk had niets van doen met erwten
maar met de Liefde en de Grote Verte.
Dat dromen hielp. Het scheelde heus een stuk.

En dat is meer dan vijftig jaar terug.
Ze is nu zeventig en heel erg fit
en altijd als ze ‘s middags even zit,
mijmert ze, met een kussen in de rug,

over geluk en zo. Een beetje warrig,
maar het heeft niets te maken met de Verte
en met de Liefde ook niet. Wel met erwten,
die komen altijd weer terug, halsstarrig.

Ah ja, zegt ze. Ik kan mezelf nog zien,
daar in mijn moeders huis op het balkon,
bezig met erwtjes doppen in de zon.
Dat was geluk. Toen was ik zeventien.

 

Annie M.G.Schmidt

------------------------------------------------------------

 

 


 vlammetje7 mei 2015, 12.30 - 13.30 uur Letters bij de lunch


"Blijf gewoon aan de oppervlakte"
door Hans Philipsen
 
Modiano
 

Op 31 januari gaf Max Pam  in Trouw de lezers een levensles mee: “Blijf gewoon aan de oppervlakte. Dat maakt het leven aanzienlijk leuker en vrolijker”.  Aan de oppervlakte  blijven maakt misschien niet altijd het leven vrolijker, maar wel het lezen. Al jaren beneemt menige deskundige  mij de lust om simpel van een boek te genieten door er onvermoede lagen van interpretatie in te ontdekken. Gustave Flaubert schreef nadat hij Madame Bovary gepubliceerd had, een spannende historische roman:Salammbô. Een intrigerend mengsel van feiten en verzinsels. Daarover is veel beweerd. Tenminste één latere commentator behandelt het boek als Flauberts poging  om een ongelukkige liefde van zich af te schrijven. Wat kan de lezer deze diepgang schelen. Na de klassieke Flaubert volgt een vergelijkbare casus over een werk van de jongste winnaar van de Nobelprijs: Patrick Modiano: In het café van de verloren jeugd.. Minder diepgang gewenst dus. Toch  willen we over literatuur praten. Aardig blijft om het verhaal in de roman enerzijds te zien als een geslaagde uitwerking van een item gemengd nieuws uit de krant. Anderzijds als een geheel van herinneringen van de schrijver en die van anderen. Hoe doet een schrijver dat? Hoe fundeert zij of hij dat in een voor de lezer herkenbare werkelijkheid? Ook hierbij zal ik voorbeelden geven.. 
 
Hans Philipsen , 1935, sinds de start in 1974 werkzaam geweest aan de Universiteit Maastricht. Vanaf het begin als hoogleraar medische sociologie, later ook als bestuurder. Een leven lang liefhebber van de kunsten. Altijd amateur gebleven. 

Locatie: Centre Céramique
Lunchpauzeprogramma i.s.m. Centre Céramique
Toegang is gratis

__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

 vlammetje Letters bij de Lunch, 5 febr. 2015

 ____________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________ 

notenbalk

 

‘met zingen is de liefde begonnen’

Gedichten gelezen door leden van de VLAM in 'Letters bij de Lunch'

 

 

 

EEN JONGEN


 

Houd ik van haar

of houd ik niet van haar…

 

en hij gooide een gulden op,

kruis was houden van.

 

Het was kruis

en hij hield van haar met nietsontziende liefde,

voor eeuwig, misschien wel voor altijd.

 

Maar als het nu eens munt was geweest,

dacht hij.

 

Bladeren vielen van de bomen,

vogels vlogen weg

en weer gooide hij een gulden op.

 

Toon Tellegen (1941)

Uit: Alleen liefde, 2002

------------

 

Je zoenen zijn zoeter dan

zoeter dan honing en ik vind je

mooier en liever, liever

en aardiger nog dan de koning.

We gaan samen liggen

een eind hier vandaan

we maken van takken

van takken en blaadjes

een vloer en een dak,

dat was onze woning,

of ik was het tuintje

en jij was de tent

daar gingen wij wonen

en blijven en horen

o rep je mijn liefje

ik heb je zo graag

nu of nooit samen slapen

want we zijn er

alleen maar vandaag.

 

Judith Herzberg (1934)

Uit: 27 liefdesliedjes, 1971

---------------------------

OPENLIJKHEID

 

Hier zijn we, minnend en naakt,

alleen de oogleden dekken ons toe.

Mooi voor elkaar – volmaakt -

liggen we samen, diep in de nacht.

Maar zij weten het al, weten het zeker

de vier hoeken en de kachel als vijfde,

op de stoelen lijken schaduwen gezeten,

rond een tafel die veelzeggend zwijgt.

De thee weet waarom ze afgekoeld

in de halflege kopjes blijft staan.

Swift heeft alle hoop verloren,

niemand zal hem nu nog openslaan.

En de vogels? Niets blijft je bespaard:

gisteren las ik in de lucht hun groet.

Brutaal schreven ze daar openlijk

de naam waarmee ik jou altijd roep.

En de bomen? Ik vraag je: wat kan

al hun gefluister betekenen?

Je zegt: daar weet de wind alles van.

Maar hoe kan de wind van ons weten?

Een nachtvlinder vloog door het raam

en met zijn ruige vleugels wiekend

komt en gaat hij, komt en gaat,

koppig ruisend boven ons.

Hij ziet veel meer dan wij misschien,

snel en scherp is zijn insectenblik.

Ik had niets vermoed, jij niets gezien:

onze harten lichten ver het donker in.

 

Wislawa Szymborska (1923-2012)

Uit: Einde en begin GEDICHTEN 1957-1997

--------------

 

Dichters muzikanten – op de oude tweesprong

komen zij elkaar tegen, namen spellend van sterren

en stenen, of fluitend op halmen, psalmen van krekels

 

elkander bekijkend de maat nemend aansprekend

zelfs even omhelzend, onwennig bewogen, en delen

als eenmaal hun ogen hun oren hun oorsprong hun kelen

tot de mijlpaal weer weg wijst, de tijd zich

weer inhaalt, de stilstand zich opbreekt, de twee

sprong zichzelf blijft, het trefpunt voorgoed

het ogenblik inblikt naneuriet nawuift.

 

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

Uit: Totaal witte kamer, 2002

--------------------------------

 

Misschien                                                

is liefde niet iets                   

wat je krijgt                                                             

omdat je het verdient.

                                                                                                     

Iemand

heeft het gewoon                                

voor je.                                      

 

ook al deug je niet.

 

Die persoon                                                            

heeft een gloed                                    

uit zichzelf.

Zoals de zon.

 

Zodat degene

Die de warmte

Ontvangt niet hoeft te denken:

 

Waar heb ik het aan verdiend

Dat het zulk zonnig weer is vandaag?

 

Bruno-Paul de Roeck (1930-2012)

Uit: Geuren van de Overwereld, 2000

-----------

 

4

 

het eens mijn geliefde schat

is niet te herroepen eens geworden

ik kan je in de avond niets

geen sprookjes meer vertellen

over het jaar tweeduizend of wat

 

ik kan je alleen verzwijgen

de nachtmerrie van het jaar tweeduizend

de anderen huizend

op elkaar gestampt

in monsterblokken van beton

twintig dertig veertig hoog

als haringen in een ton

ze kijken kleurenteevee

als achter afrastering het vee

of rijden over snelwegen naar hun dood

 

in de avond vertel ik je

mijn geliefde schat

een sprookje over achwat

grootvader en hoe gelukkig die moet zijn

in zijn graf

maar jij denkt aan de kinderen

mijn geliefde schat

met tranen in de ogen aan het jaar tweeduizend

hoe je kleinkinderen in betonnen grafkelders

zullen huizen

eens als alles eens zal zijn

 

Louis Paul Boon (1912-1979)

Uit: Verzamelde gedichten, 1979

-------------

 

MIE MASKE

 

Veur diech zèt iech mie maske aof

Mèt diech späöl iech gei speul

Diech maags miech zien zoewie iech bin

Meh bang maak ‘t miech soms wel

Veur diech zèt iech mie maske aof

En hoop totste daan zuus

Tot iech gewoen ‘ne clojn bin

Dee lach um zie verdreet

Veur diech zèt iech mie maske aof

Aon diech geef iech miech bloet

Iech lègk mien geveules

Oet leefde in diene sjoet

Want niemes hoof te wete

Wie kwetsbaar en wie klein

Iech aoventouw kin zien

 

Mien sterkde en mien zwaakde

De krijgs ze alletwie

Iech wèl ze mèt diech deile

Wèls diech dat ouch... mèt miech?

Gein leuge die besjerming beujt

Bij lui zoewies diech

Diech höbs mie maske noets gezeen

Diech zaogs ummertouw allein mer… MIECH!

------------------------

 

AAN BETSY

 

Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos

In hartverovrend achtelooze houding lag

Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch

langzaam doordwaalden. 't Was een vreeslijk heete dag.

 

Gij hieldt mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog

Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok

Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog

Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.

Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk

Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk wat

Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk,

Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.

 

O, ware het noodlot niet alleen behept met koud

Verstand maar ook met warm gevoel,—uw poezle hand

Had plots de flesch, zoodra ze leeg was, door het woud

Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.

Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,

Dat de inhoud nog al koppig was,—'t was witte port,—

En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust.—

Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.

 

Piet Paaltjens (1835-1894)

Uit: Snikken en grimlachjes,1876 

-------------------

 

WAT ANDERS ?

 

Wat is liefde anders dan

elkaar vertalen

in een sprakeloze taal?

 

woordenloos zeggen: luister

waterval van gefluister

hoor mij ik hoor je uit

 

en het ademloos antwoord:

je huid

juichend

zonder geluid.

 

Ellen Warmond (1930-2011)

---------------

 

ZWERVERSLIEFDE

 

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -
want, o de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie' in de oude wind.

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder de wind in hulpeloos verdriet.

 

dus hieven we het glas op ons samenzijn, aten bij het water, seizoen

of niet, mosselen en friet, prezen de Elzasser pinot

en het verrassingsdessert en rookten tijdens de espresso

met likeur en armagnac, terwijl de hemel al vroeg

naar indigo verkleurde, en er een restje zonlicht opblonk

in schelphelften, vingerkommen -

 

eendere liefdes, eerdere fiasco’s, de rekening

voldaan tenslotte, een ruimhartige fooi op het viezige tafellaken

achtergelaten, of ik mijn ware schuld

daarmee soms enigszins vereffenen kon

 

Hans Tentije (1944)

Uit: Gissingen, gebeurtenissen, 2013

_________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

 vlammetje Letters bij de Lunch, 6 febr. 2014

 ___________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

verwondering1

De Verwondering

Gedichten gelezen door leden van de VLAM in 'Letters bij de Lunch'

EERSTE AANBLIK

En, peinzend, zie 'k uw zee-blauwe ogen pralen,

Waarin de deernis kwijnt, de liefde droomt, -

En weet niet, wat mij door mijn adren stroomt:

Ik zie naar u, en kan niet ademhalen:

Een gouden waterval van zonnestralen

Heeft nooit een zachter aangezicht bezoomd...

't Is, of me een engel heeft verwellekoomd,

Die met een paradijs op aard kwam dalen.

'k Gevoel mij machtig tot u aangedreven

En buiten mij. 'k Was dood, ik ben herrezen,

En voel mij tussen zijn en niet-zijn zweven:

Wat hebt gij, toveres, mij goed belezen!

Aan u en aan uwe ogen hangt mijn leven:

Een diepe rust vervult geheel mijn wezen. –

Jacques Perk

Uit: Mathilde. Een sonnettenkrans, 1882

--------------------
 

MAN EN KAMEEL

De avond voor ik veertig werd

zat ik op de op de veranda wat te roken

toen er zomaar een man en een kameel

opdoken. Eerst maakten ze geen enkel

geluid, maar toen ze de straat uit gleden,

de stad uit, begonnen ze te zingen. Wat ze

zongen is me echter nog altijd een raadsel-

de woorden te vaag en de melodie te barok

om te onthouden. Ze gingen de woestijn in

en al lopend stegen hun stemmen ineen

boven het zevend geluid van zand

in de wind. Hun wonderbaarlijke gezang,

dit ongrijpbare mengsel van man en kameel,

scheen een ideaalbeeld voor alle ongewone paren.

Was dit de nacht waarop ik zo lang

had gewacht? Wat had ik dat graag geloofd,

maar juist toen ze verdwenen, stopten de man

en de kameel met zingen en galoppeerden

terug naar de stad. Ze stonden voor mijn veranda,

staarden me met kraalogen aan en zeiden:

‘Je hebt het verpest. Je hebt het voorgoed verpest.’

Mark Strand

Uit: Gedichten, 2006

---------------------

LIGGEN IN DE ZON

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Hans Andreus

Uit: Muziek voor kijkdieren, 1951

-----------------

ONDER DE APPELBOOM
Ik kwam thuis, het was
een uur of acht en zeldzaam
zacht voor de tijd van het jaar,
de tuinbank stond klaar
onder de appelboom


ik ging zitten en ik
te kijken hoe de buurman
in zijn tuin nog aan het spitten
was, de nacht kwam uit de aarde
een blauwer wordend licht hing
in de appelboom

 
toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en ver weg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom

en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was

 
gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.

Rutger Kopland (1934-2012)
Uit: Verzamelde gedichten, 2007

----------------------

HET EZELTJE

In de korte, blauwe schemering
deed ik een kleine wandeling.
De grond was rood, gebarsten-droog.
De lucht was dun en vreeslijk hoog,
en blauwe distels stijf en grillig
ritselden driftig en onwillig.
Stil grazend naast een grijze rots
zag ik opeens op hooge beenen
een jonge ezel; zijn oren schenen
doorzichtig, zijn gelaat was trotsch.
zijn lange, ambren oogen blonken
als water ernstigen bezonken
en onpartijdig was zijn blik.
En na een korte felle schrik
verstarde ik in verwondering.
Of kan het eerbied zijn geweest
voor dit schoon, ongeschonden beest,
waarmee ik langzaam verder ging?
Een pijnlijke herinnering:
zoo ben ik vroeger ook geweest
Die gaafheid en zachtzinnigheid,
onzware ernst en droomrigheid
o kon ik dat nog ééns herwinnen
kon ik nog ééns opnieuw beginnen.

M.Vasalis
Uit: Parken en woestijnen, 1940

------------

TO GERMANY

You are blind like us. Your hurt no man designed,
And no man claimed the conquest of your land.
But gropers both through fields of thought confined
We stumble and we do not understand.
You only saw your future bigly planned,
And we, the tapering paths of our own mind,
And in each other's dearest ways we stand,
And hiss and hate. And the blind fight the blind.

When it is peace, then we may view again
With new-won eyes each other's truer form
And wonder. Grown more loving-kind and warm
We'll grasp firm hands and laugh at the old pain,
When it is peace. But until peace, the storm
The darkness and the thunder and the rain.

Charles Hamilton Sorley
Uit: Marlborough and other poems,(Cambridge University Press 1916)

----

AAN DUITSLAND

Jullie zijn blind als wij. Wie doet wie pijn?
En jullie nederlaag wensten wij niet,
Maar beiden rondtastend in eigen schijn
Struikelen wij, begrijpen we het niet.
Jullie zagen alleen dat grote verschiet
En wij volgden één richting in ons brein,
Waardoor je ’t ergste in de ander ziet,
Van haat alleen blind tegen blind kunt zijn.


We zullen als het eenmaal vrede is
Elkaar verbaasd weer onder ogen komen.
Liefhebbender, minder vooringenomen
Elkaars hand schudden met vergiffenis
Van pijn. Maar nu zijn het nog wervelstormen,
Regen, donder en diepe duisternis.


Charles Hamilton Sorley
Uit: Marlborough and other poems 1916
Vertaald uit het Engels door Rob Schouten.
In :Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste Wereldoorlog, 2008

----------------------

WEES

woorden lezen
woorden horen
woorden spreken

 

toch lezen de oren
toch horen de monden
toch spreken de ogen

woorden worden werkelijkheid

Christian Bouvrie
Uit: De huid van water, 2005

----------------------

VALLENDE TANDEN
Verleden jaar verloor ik al een tand
En dit jaar had ik al een kies verloren,
Opeens verloor ik er zo’n zes of zeven –
Voorlopig is het nog niet afgelopen:
                 De overige zitten alle los,
Het houdt pas op wanneer ik alles kwijt ben.
Toen ik de eerste keer er een verloor,
Schaamde ik mij alleen maar voor het gat
                Maar toen ik er zo’n twee of drie verloor,
Werd ik bevreesd dat ik weldra zou sterven.
Wanneer er eentje dreigde uit te vallen,
Leefde ik al die tijd in angst en beven:
                 Verkrampte kaken weigerden te eten,
Het hoofd opzij spoelde ik bang mijn mond.
Uiteindelijk ontviel hij toch aan mij –
Ik dacht dan dat een berg was ingestort!
                  Ik ben het nu gewend ze te verliezen,
Ze vallen uit en niets kan het me schelen.
Ik heb er altijd nog ruim twintig over,
Elk op zijn beurt, weet ik, zal ik verliezen.
                  Gesteld dat ieder jaar er eentje gaat,
Dan zijn het er genoeg voor een kwarteeuw.
En vallen ze in één keer samen uit,
Dank komt dat op hetzelfde neer als stuk voor stuk.
                  De mensen zeggen: ‘Vallen kiezen uit,
Dan is een hoge leeftijd niet gewaarborgd.’
Mijn antwoord luidt: ‘Het leven heeft een grens,
En lang of kort, het eindigt in de dood.’
                   De mensen zeggen: ‘Een gebit met gaten
Doet links en rechts geschrokken naar je kijken!’
Mijn antwoord luidt: ‘In Zhuangzi staat geschreven:
“In boom en gans heeft elk zijn eigen smaak.”’
                  ‘En slissen dan?’ ‘Maar zwijgen is toch goud?’
‘Je kauwt niet meer!’ ‘Maar zacht is ook heel lekker!’
Zo zing ik en het werd tot dit gedicht
Waarmee ik vrouw en kinderen verbaas.

Han Yu (768-824)
Uit: Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, 1994

----------------------

VOYEUR

als een voyeur die met trillende handen
zijn verrekijker richt op die ene plek
waar hij in de schemering van een kleurige
jurk het hemelse meent te kunnen ontwaren
zo opgewonden was ik toen mijn oog vanuit
het geopende raam bij tien onder nul in
snijdende noordenwind de prachtig gewelfde
ringen van Saturnus voor het eerst in hun
voor altijd onaanraakbare naaktheid
aanschouwde: dat het wonder wel degelijk
bestond en ik die er eindeloos naar mocht
kijken zonder ooit te worden gezien

Marc Tritsmans

----------------------

DE DAPPERSTRAAT

Natuur is voor tevredenen of legen. 
En dan: wat is natuur nog in dit land? 
Een stukje bos, ter grootte van een krant, 
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.
Geef mij de grauwe, stedelijke wegen, 
De’ in kaden vastgeklonken waterkant, 
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand 
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.
Alles is veel voor wie niet veel verwacht. 
Het leven houdt zijn wonderen verborgen 
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.
Dit heb ik bij mijzelven overdacht, 
Verregend, op een miezerigen morgen, 
Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.

J.C.Bloem (1887-1966)

----------------------

WEET IK MISSCHIEN HOE LAAT HET IS

Een man spreekt een taal, de ander een andere taal, misschien kan
ik hen helpen het eens te worden over de prijs.
Het gaat om gouden horloges, ik hoef ze niet mooi te vinden.
De een biedt, de ander vraagt, ik vertaal voor hen tot zij het eens
worden net onder de helft van het verschil.
Maar de koper heeft te weinig bij zich, hij moet naar zijn hotel terug
om meer geld te halen, de verkoper kan daar niet op wachten want
hij moet een trein halen.
Kan ik misschien het te weinig voorschieten, aan de verkoper geven
en wachten tot de koper met het geld terugkomt, de horloges blijven
bij mij als zekerheid.
Zij denken dat zij mij goed genoeg kennen om erop te kunnen
vertrouwen dat ik niet wegloop met de horloges.
Een van die horloges heb ik nog steeds, ik zie dat die een uur naar
voren is gesprongen en draai hem terug, daarna zie ik dat alle
klokken een uur later aangeven.
Ik was op zoek naar een gedicht van een ander, in een andere taal,
om voor te lezen - ik mag zelf kiezen of ik het in die taal wil doen
of in een vertaling.
Daarom wilde ik een gedicht vinden dat ik zelf kan vertalen want
ik laat niet graag horen hoe slecht ik andere talen spreek. 
Zij denken dat zij mij goed genoeg kennen om erop te kunnen
vertrouwen dat ik niet wegloop met de horloges.
Een van die horloges heb ik nog steeds, ik zie dat die een uur naar
voren is gesprongen en draai hem terug, daarna zie ik dat alle
klokken een uur later aangeven.
Ik was op zoek naar een gedicht van een ander, in een andere taal,
om voor te lezen - ik mag zelf kiezen of ik het in die taal wil doen
of in een vertaling.
Daarom wilde ik een gedicht vinden dat ik zelf kan vertalen want
ik laat niet graag horen hoe slecht ik andere talen spreek.

 
Nachoem Wijnberg
Uit: Het leven van, 2008.

----------------------

BRIEF IN EEN NACHTKASTJE GEVONDEN

Het was een zomerdag, een slap begin
voor een gedicht dat me verwonden wil.
Maar niets zo onbedaarlijk als de spin
die in haar web zit. Dus ik houd me stil.
Je kwam van ver, pas nu zie ik de draad
waarlangs je leven zich toen leiden liet
naar waar ik nooit meer op mezelf besta.
Onzichtbaar worden, nee ik kon het niet.
Ik zou willen zeggen dat de aarde beefde,
de bomen schudden, struiken struikelden,
de hemel zon en maan tot botsen bracht,
dat onontwarbaar werden dag en nacht.
Dan kon ik menen dat ik huichelde
of vragen: ‘Weet je of ik toen leefde?’

Wiel Kusters, 2014

__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

 vlammetje Letters bij de Lunch, 5 dec. 2013

 ___________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Louis Couperus: Van oude schrijvers, en de dingen die (niet) voorbijgaan

door Lizet Duyvendak

Louis Couperus staat dit jaar volop in de aandacht, omdat hij 150 jaar 
geleden geboren is. Een klein deel van zijn werk wordt ook vandaag de 
dag nog gelezen. In haar lezing zal Lizet Duyvendak stil staan bij het 
veelzijdige oeuvre van de auteur en ingaan op zijn wereldbeeld en 
literatuuropvatting en op verschillende manieren waarop zijn werk in de 
afgelopen eeuw is geïnterpreteerd. Een van de vragen waarop zij zal 
proberen een antwoord te geven, is waarom het werk van Couperus de tand 
des tijds heeft doorstaan.
Lizet Duyvendak is neerlandica en verbonden als universitair hoofddocent 
letterkunde/cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit Nederland.
_________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

 vlammetje Letters bij de Lunch, 7 nov. 2013 ___________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Alice in Wonderland

door Flor Aarts

Inleiding over diverse aspecten van het beroemde boek Alice in Wonderland van

Lewis Carroll uit 1865, een van de bekendste titels uit de Engelse letterkunde.

Dit sprookje is en blijft een inspiratiebron voor veel kunstenaars en vindt navolging

in de literatuur, muziek en film.

Flor Aarts (1934) was lang tijd verbonden als hoogleraar Engelse taal- en letterkunde

aan de universiteit van Nijmegen. Hij publiceerde over Engelse grammatica en

werkte daarnaast mee aan een aantal boeken over het Maastrichtse dialect.

 __________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

 vlammetje Letters bij de Lunch, 3 okt. 2013

___________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Taalcultuur in Limburg
Door Leonie Cornips

 

Onderwerp van deze lezing is het onderzoek naar 'Taalcultuur in Limburg'. 

Hoeveel mensen in Limburg spreken er dialect, wie spreekt er het liefst dialect, leren

kinderen het dialect (nog) spreken en geldt dat ook voor kinderen van immigranten-

herkomst? Vervolgens wordt ingegaan op de meer problematische aspecten van het

begrip dialect. Wat is een dialect precies? We spreken probleemloos over het Maastrichts,

Venloos en Roermonds maar waar houdt een dialect op en waar begint het? Is het wel

zo dat we een dialect haarscherp kunnen afbakenen van een ander dialect en vallen de

provinciegrenzen van Limburg samen met talige grenzen? Deze lezing laat zien dat de

relatie tussen talige verschijnselen en plek (stad, dorp, provincie) erg complex vooral

omdat we de lokale beleving van ‘wie we zijn’ erg belangrijk vinden. Die verbondenheid

met het lokale en regionale betekent dat in Limburg als overal elders in Europa mensen

op zoek zijn naar het ‘eigene’ in taalcultuur.
Leonie Cornips is onderzoeker aan het Meertens instituut (KNAW) voor vier dagen in de

week en zij is een dag als bijzonder hoogleraar werkzaam aan de Universiteit van

Maastricht (leerstoel Taalcultuur in Limburg sinds september 2011). Haar onderzoek

besteedt met name aandacht aan de relatie tussen taal en regionale identiek in Limburg.

Verder schrijft zij tweewekelijks een column in De Limburger over Limburgse taalperikelen. 

__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________ vlammetje Letters bij de Lunch, 5 sept. 2013

___________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

In dialoog met de poëzie van Willem Jan Otten

Door Frans Berkelmans

Het werk van Willem Jan Otten (Amsterdam, 1951) is behalve als literaire kunst ook

in levensbeschouwelijk opzicht belangwekkend. De veelbekroonde dichter/schrijver,

die als agnost bekend stond, evolueerde in de jaren negentig naar het christelijk geloof.

Rond het jaar 2000 liet hij zich dopen in de R.-K. Kerk. Die ontwikkeling, met alles wat

dit voor de mens en zijn kunstenaarschap meebracht, is in zijn poëzie goed te volgen:

Eindaugustuswind (1998), Op de hoge (2003), Welkom (2008) en Gerichte gedichten (2011).

Frans Berkelmans is monnik van de benedictijner abdij van Egmond en redacteur van

Benedictijns Tijdschrift (spiritueel tijdschrift voor evangelische bezinning). Als monnik

doet hij zijn dagelijkse lectio divina doorgaans aan de hand van poëzie. De laatste

jaren leidde hij verscheidene workshops en leesclubs over de poëzie van Willem Jan Otten.

In 2007 werd Ottens werk met een eredoctoraat in de godgeleerdheid bekroond aan de

Universiteit van Utrecht, wat voor een moderne dichter in onze tijd opmerkelijk is. Hij
weet zich inderdaad door de christelijke boodschap geïnspireerd, maar getuigt daarvan
toch wezenlijk als kunstenaar. Evenals alle moderne poëzie lijkt Ottens poëzie bij eerste
kennismaking rijkelijk cryptisch doordat ze laat speuren en gissen naar de
vooronderstellingen van waaruit ze geschreven is. De individuele lezer is daardoor
sterk gebaat bij samen lezen en uitwisseling van leeservaringen. Het is erg boeiend
en effectief om in dialoog met anderen dieper door te dringen in hetgeen de dichter
ons te zeggen heeft.

 __________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________ vlammetje Letters bij de Lunch, 6 juni. 2013

___________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

De vakantiekoffer

Met de zomer én de vakantie voor de boeg, geven leden van VLAM traditiegetrouw

in de laatste aflevering van dit seizoen luchtige leessuggesties. Laat u verleiden door

hun keuze, die u wellicht op een nieuw literair spoor zetten! Verfrissende boeken om

in het verre buitenland of in de eigen tuin ter hand te nemen.

__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

 vlammetje Letters bij de Lunch, 7 febr. 2013

___________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________
Muziek in Poëzie.
Gedichten gelezen door leden van de VLAM in 'Letters bij de Lunch'.

 

images5

Vrede is eten met muziek

 

want lekker eten doet men alleen in rust en vrede
voor een goede spijsvertering is het een vereiste
dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt
daarom eet men met muziek ook beter
want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf
harmonieus en met de kaken ook de slokdarm
en later zelfs de overige dertig meter
lange darmen in de buik

vrede is goed eten met goede muziek

met marsmuziek kan men beter lopen dan eten
als men dan ook maar vredig loopt
en niet meemarcheert met een troep soldaten
tegen andere soldaten dan is marsmuziek net zo bedorven
als besmet voedsel

maar bij dansmuziek is het zeker goed eten

want dansen is geen vechten
wie danst houdt rekening met andere dansers
zoals men onder het eten niet alle
lekkere hapjes alleen verorbert maar die deelt
met de overigen de disgenoten

Lucebert, (1989)
Troost de hysterische robot. Gedichten en een oratorium (1989)


 DE FLUIT 


Ik ken op aarde geen geluid   
zo zuiverend als van de fluit, 
een open landschap brengt het mij 
jong in de tinten groen nabij,
 -schaduw en licht gaan in en uit.
  
Is het de oorsprong van het hout  
dat in zich nog besloten houdt de boom,
gevormd in ring na ring,  
het lover in zijn fluistering, 
het ruisen dat zich wijd ontvouwt?

Hoor, in de ebben schacht verdoken,  
dit stromen, donker en gebroken, 
een oerklank stamelend bevrijd,  
een zingen in aanvankelijkheid  
en dolen, prevelend gesproken. 

Een adem schiep de eerste mens 
en nu bezielt hij naar zijn wens  
dit hout – met rijzen en met dalen 
formeert het tastend ademhalen 
de tonen. Langs hun zuiv’re grens


de reeksen, ijl omhoog getogen  
en als in strak azuur ontvlogen 
zo licht en bovenaards ontstegen, -  
dan dalend in een speels bewegen 
tot milder wending omgebogen.

Een heuvelland komt in het licht, 
fijn bloeiend gras, trillend gezwicht, 
een oeverbocht, het zilver stromen
van een rivier, gehuifde bomen; 
rondóm het strenge vergezicht

der naaldhoutbossen. Wat bewoog
er onder de satijnen boog
der treurwilgtakken? Aangelopen,
teer en verwonderd in het open
riviergras dit figuurtje, hoog

sloeg er een vogel, parelend klaar,
er viel een vak van zon – en paar
na paar, een losse rand
kwam te bewegen in het land;
dansende, dwalend door elkaar,

met in ontglippen en ontmoeten
een prille drift, een huiverzoete
ontvoering. Uit het verre lover
waait een versluierd roepen over,
een lachen vlucht op lichte voeten,


Een rank, een speelse fantasie. 
D’aanvankelijke melodie 
wordt strak, in effen trant hernomen 
en trekt voorbij: een naderkomen 
van ‘t afscheid dat ik wenken zie.

Een nauw gewaagde klank – nog even 
huivert een ademtocht van leven 

langs de versmalde parelrij  
der gaten, maakt zich stijgend vrij; -  
dan dooft omfloerst het lichte zweven.  

Als ging het leven zelve uit  
zo is het ons nu dit geluid  
verstierf – wij zien elkander aan, 
nog toevende.

  
Ida Gerhardt



Jacques Perk & Buddy Holly


De twee vernieuwers leefden even kort.
Te kort voor Perk: hij bleef nu wat halfslachtig,
de voorloper en gangmaker van ’80,
wanneer der schoonheid naam geheiligd wordt.

 Buddy’s gitaar en hikstem waren machtig,
 zo bleek op teenagers hun schoolrapport.
 Toen ‘t vliegtuig dat hem vloog was neergestort,
 bleven fans en MCA indachtig.

 Ze brachten werkjes over de verloofden
 van anderen. Jacques Perk, de blondgehoofde
 beschreef madonna-achtige Mathilde,

 en Buddy Holly zong, de zwartgebrilde,
 over die van zijn drummer Peggy Sue.
 Ook ik ben tweeëntwintig. Twenty-two

 Jan Kal


 BIJ HET HOREN VAN EEN FLUITCONCERT VAN BACH
  

Wanneer dit schielijk leven is geleefd,
De dag geen glans, de knoop geen bloem meer geeft,
De laatste schaarse tranen zijn gestort,
Gelijk een regen die snel minder wordt,
Mijn kindren van mijn wezen zijn vervreemd,
En ook mijn vrouw een donkre zijweg neemt, -
Zal ik dan in de nacht van mijn bestaan
Nog eens de helle waanzin ondergaan,
Die fluit van Bach, die door de ether viel,
Wiens echo in het diepst woont van mijn ziel?

Bertus Aafjes


WAAROVER ZAL IK ZINGEN


Waarover zal ik zingen

Over regenjassen over het lover van geboomte
Of zal ik van de liefde zingen

Waarover zal ik zingen over vliegmachines
Blinkend aluminium in de zon en blauwe lucht
Of zal ik zingen over de liefde

Over auto’s over steden en historie     
Of zal ik zingen over de liefde
  

Over vele vreemde dingen
Over de gewone
Of zal ik zingen over de liefde

Over bloemen over water
Over mooie dingen of wat droevig is
Of zal ik zingen over de liefde

Over tabak en vriendschap
Over geur en wijn
Over schepen zeilen meeuwen over ellende
Over de ouderdom over de jeugd
Of zal ik over de liefde zingen

Jan Hanlo



DÓNDERKOP WIE DERM.....


Dónderkop wie derm, ter de lóch
de zón weer trökgekraope in de bóch
raengel leut zich oetgelaote gaon
bies op ‘t neet gepas rechopsjtaon
miljaar min ein mit weusgevoesde handj
saars hae det brónsgreun bang gedoekde landj.

Windj klaats de sjmik veur die neet heure wille
- Loester loester wie ‘t boes um ‘t hoes
blindj viemp hae aoj buim mótte draan
dor tek wie de vós de kranke knienkes nek.

Kaerse kótse gif hoesheugde bäökend
kladderdaatse wichter zich haarinkelend 
det ‘t blood in de klumpkes drief
sjietsjoew boes in de fikke van det wit wief.

Wie wildj waert de windj, hae griep zich antens
moere kete, veurt ze mit leut los inins
Jeug häöls wiejer wie zjwalge mógke hóbbe
sjuut koekeluit en dan Bóm! Dèkselsjlaag.

Nieks waeg – vleugel opgekroep, buim wie geteikend
sjtein zjweite bóm bóm dao vèlt de maon
ingele zinge dun biej de kaer ‘t groot aangaon
‘t komme, heur: de kraom van de sjpraekende rat
ta ta heur loester jank dao hiej hoos kómp. Plat.

Wim Kuipers


ZONDAGMIDDAGCONCERT

Piano het begin is zacht het begint met handengewrijf de vingers zijn lang en zacht en wit het kan mooi worden als het krukje tenminste iets dichterbij het begint zacht het begint met er was eens het begint met een langzaam sprongetje nee twee sprongetjes die in de partituur staan je zou haast denken dat de pianist beslist wel een van die sprongetjes in het echt zou uitvoeren nee hij tuit nu de lippen hij wil de noten zacht pp laten klinken ze klinken zacht om daarna andere noten wat zwaarder te kunnen aanzetten natuurlijk ze gaan rustigjes de trap af de laatste stenen trede is het grootst in de kelder hangt geen lamp het is er bijzonder donker en vochtig de neusgaten gaan open en dichtbij het spel de zon schijnt fel maakt clustertjes van licht op de Bechstein en op de schouder van de pianist en op zijn haar dat ongekamd lijkt wat heeft hij het warm hij zweet een druppeltje zweet komt aan zijn neus hangen dat is niet voorgeschreven wie speelt er nu zoiets overdag als het zo warm is juist als de zon schijnt en de lucht zo blauw zo blauw is met een enkel wit wolkje als blikvanger nu wipt hij inderdaad wat op alsof hij met een rijwiel een oneffenheid neemt alsof het is hij speelt nu snel de zon schijnt precies in het druppeltje het druppeltje schittert als een sterretje het zal zo wel zou hij denken dat hij zweeft vallen zie je wel arabesken arpeggio’s denkrimpels hij speelt alles uit het hoofd buigt het heeft de ogen gesloten alsof hij droomt hij droomt de muziek de vingers gaan uit slaapwandelen gaan in galop over hop trippelen omhoog en dwarrelen dan misschien zijn het citroengele vlinders vogels stappen gezapig omlaag een nieuwe subdominant druppeltje gaat Debussy op een mooie zomerdag met panamahoed en gestreept badpak om in de stemming te komen alvast zachtjes tussen zijn tanden fluitend naar het strand bijvoorbeeld bij Étretat of Pourville met een blocnootje met achter zijn oor een potloodje om losjes de kleuren van het water zo blauw zo blauw in de verte wat troebeler vlakbij de krijtrotsen het geruis van de golven te schetsen het steeds weer terugkerend geruis herhaling is de moeder van de muziek hangen er misschien wat vogels rond ze roepen iets en pikken een gat in een vis liggen er soms meerminnen te kwispelstaarten en te flikflooien tussen het wier laten ze hem gezwollen borsten en nat okselhaar zien doet het hem wat het doet hem wat spoelt er een oranje pompoen aan een verloren soldatenschoen gaat daar de zon niet opzettelijk onder heb je daar niet de maan als een parasolkwal in de oranjeblauwe zee van de luvht loopt daar niet een krab als een hand zijwaarts heen en weer langs de vloedlijn pas op een golf zie je wel stomme krab je bent dan wel hard vanbuiten vanbinnen ben je maar zozo en waar zitten je hersens een nieuwe golf de vogels springen een gat in de lucht en nog een want na elke golf kan er nog een komen dan applaus van water op keitjes en de krab is nergens

Wim Hofman


HET CARILLON    
(oorlogsjaar 1941)


Ik zag de mensen in de straten
hun armoe en hun grauw gezicht, -
toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na ‘t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius: - een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
‘Wij slaan het oog tot U omhoog.'

En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakeloze samenkomen

en Hollands licht over de stad –
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.

Ida Gerhardt

 

Deel ons met anderen

Share |